Den Haag +31 70 711 33 30  |  Amsterdam +31 20 717 31 10  |    Email

Werkgever aansprakelijk voor letselschade van werknemer als gevolg van diens val van een ladder tijdens werk

De kantonrechter van de Rechtbank Den Haag oordeelde in haar uitspraak van 25 maart 2020 dat de werkgever van onze cliënt aansprakelijk is voor alle schade die hij heeft geleden als gevolg van een ongeval tijdens het werk. In deze bijdrage zullen de casusfeiten de revue passeren en gaan wij in op de juridische beoordeling die de kantonrechter heeft gemaakt.

Onze cliënt werkte sinds jaar en dag als installateur voor een bedrijf dat elektronische beveiligingssystemen aanlegt. Op 24 juli 2017 was hij in opdracht van zijn werknemer aan het werk in een bedrijfspand van een autodealer. Voor het aanleggen van de alarminstallatie moest cliënt op enkele meters hoogte werken. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden in het pand stond hij op een ladder en is hij daarbij ten val gekomen. Onze cliënt heeft als gevolg hiervan letsel aan zijn linker elleboog opgelopen, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt.

De arbeidsinspectie heeft onderzoek verricht naar het ongeval, waarna deze een boeterapport heeft opgesteld. Naar aanleiding van dit rapport is de werkgever ook bestuursrechtelijk beboet wegens overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Reden hiervoor was dat volgens de Arbeidsinspectie de ladder niet zodanig werd gebruikt door onze cliënt dat deze bij zijn werkzaamheden op de ladder steeds een veilige steun en houvast had. De werkgever heeft er aldus onvoldoende op toegezien dat de werkzaamheden op hoogte op een veilige wijze konden worden uitgevoerd, zonder dat er gevaar was voor onze cliënt.

In de tussentijd wendde onze cliënt zich tot ons met het verzoek om zijn letselschade te verhalen op zijn werkgever. Hierop hebben wij de werkgever aansprakelijk gesteld. De werkgever betwistte echter iedere aansprakelijkheid, omdat zij vond dat zij aan haar zorgplicht als werkgever had voldaan en dat onze cliënt zelf onvoorzichtig heeft gehandeld, terwijl hij zelf de desbetreffende ladder heeft meegenomen zonder overleg te plegen met de werkgever.

Als gevolg hiervan waren wij genoodzaakt de werkgever te dagvaarden, waardoor het geschil ter beslechting is voorgelegd aan de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Op grond van artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is de werkgever aansprakelijk jegens de werknemer voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat (1) zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, (2) de schade niet het gevolg is van het tekortschieten in haar zorgplicht en ook zou zijn ontstaan als de zorgplicht wel zou zijn nagekomen, of (3) de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf.

De kantonrechter overweegt daarbij dat tussen partijen niet in geschil is dat de werknemer op de bewuste dag schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Om die reden is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor deze schade, tenzij de werkgever rechtsgeldig een beroep kan doen op een van de bovengenoemde drie uitzonderingen. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat het op de weg van de werkgever ligt om aan te tonen dat zij wel aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Onder verwijzing naar de geldende wetgeving en jurisprudentie overweegt de kantonrechter dat er een ruime zorgplicht rust op de werkgever, waardoor niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever aan haar zorplicht heeft voldaan in een situatie als deze. Uit het boeterapport van de Arbeidsinspectie blijkt dat de door onze cliënt gebruikte ladder niet geschikt was voor de werkzaamheden die hij moest uitvoeren. De trap was volgens de arbeidsinspecteur te kort en had bovendien geen beugel.

Volgens de kantonrechter staat het dan ook vast dat de werkgever aan onze cliënt geen veilige ladder ter beschikking heeft gesteld voor de uit te voeren werkzaamheden. De werkgever heeft op dit punt niet voldaan aan haar zorgplicht. Ook speelt een rol dat niet is komen vast te staan dat onze cliënt specifieke instructies heeft gekregen voor het uitvoeren van de werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld welke ladder hij voor deze werkzaamheden zou moeten gebruiken.

De conclusie is dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die onze cliënt ten gevolge van het bedrijfsongeval heeft geleden en nog zal lijden.

Voor de volledige uitspraak van de kantonrechter, verwijzen wij u naar bijgevoegd document.

Bent u ook slachtoffer geworden van een ongeval tijdens uw werk en heeft u als gevolg hiervan letsel opgelopen? Indien uw werkgever of opdrachtgever zich niet heeft gehouden aan zijn zorgplicht, dan komt u in aanmerking voor een schadevergoeding voor de letselschade die u heeft geleden. Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met een van onze advocaten of letselschadespecialisten. Dat kan per e-mail via letsel@arslanersoy.nl of telefonisch via 070 – 711 33 30.

17 april 2020|

Op staande voet ontslagen? Een aantal bruikbare tips!

Veelvuldig worden wij als advocatenkantoor geconfronteerd met vragen van cliënten over ontslag op staande voet. In dit verband is het handig om goed geïnformeerd te zijn over wat je als werknemer te wachten staat, indien je op staande voet bent ontslagen.

Voortvarend optreden

Bij ontslag op staande voet moet er voortvarend opgetreden worden doordat opzegging wegens een dringende reden uitsluitend kan, als na een zorgvuldig onderzoek een directe beëindiging van de arbeidsovereenkomst noodzakelijk is voor de werkgever. Dan moet er sprake zijn van gedragingen of eigenschappen van de medewerker die zodanig zijn dat van de werkgever redelijkerwijze niet verlangd kan worden dat deze de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De discussie spitst zich dan ook toe op de vraag of er in de gegeven omstandigheden sprake is van “dringende redenen” die het ontslag op staande voet rechtvaardigen. In onze praktijk maken wij het vaak genoeg mee dat werkgevers te lichtvaardig omgaan met het ontslag op staande voet. Dit, terwijl in het arbeidsrecht het ontslag op staande voet dient als ultimum remedium.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is het niet meer voldoende om het gegeven ontslag buitengerechtelijk via een brief te vernietigen. Tegenwoordig moet men binnen twee maanden na het verleende ontslag op staande voet middels een verzoekschrift de kantonrechter vragen om het ontslag te vernietigen. Als dit niet binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, dan zal de rechter het ontslag niet meer ongedaan kunnen maken. Het is dan ook van eminent belang dat u snel juridisch advies inwint en een advocaat inschakelt die voortvarend voor u handelt, indien u van mening bent dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven.

Schikking

In de praktijk komt het geregeld voor dat er na een ontslag op staande voet toch nog een schikking bereikt wordt en dat partijen afspraken maken over het beëindigen van de arbeidsrelatie met wederzijds goedvinden. De gemaakte afspraken worden samengevat in een vaststellingsovereenkomst, zodat partijen geen misverstanden hoeven te laten bestaan over de gemaakte afspraken. De werknemer kan hierbij belang hebben, omdat hij dan zijn recht op een WW-uitkering behoudt en geen risico meer loopt dat de kantonrechter het ontslag op staande voet bekrachtigt.

Ook voor de werkgever kan dit voordelig(er) zijn, omdat hij dan niet meer het risico loopt dat de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt of de werknemer een billijke vergoeding toekent.

Als werknemer is het ook belangrijk om te weten dat u zelfs na het aangaan en ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, de overeenkomst binnen twee weken na ondertekening kunt ontbinden door beroep te doen op uw wettelijke bedenktijd. Deze termijn wordt zelfs drie weken als die bedenktijd niet in de schriftelijke overeenkomst is vermeld (artikel 7:670b lid 3 BW), zodat de werknemer binnen die periode kan bewerkstelligen dat de overeenkomst alsnog niet tot stand komt.

Heeft u te maken met ontslag op staande voet en heeft u dringend een advocaat nodig? Schroomt u dan niet om contact op te nemen met een van onze advocaten. U kunt ons telefonisch bereiken via 070-711 33 30 (Kantoor Den Haag) of 020-717 31 10 (Kantoor Amsterdam). Wilt u liever per e-mail contact opnemen? Dat kan ook uiteraard. In dat geval kunt u ons bereiken op info@arslanersoy.nl

 

Sfeerbeeldfoto selfmade bewerkt

 

4 augustus 2016|