Den Haag +31 70 711 33 30  |  Amsterdam +31 20 717 31 10  |    Email

A.s.r. vindt het in letselschadezaken niet langer passend om gemiste inkomsten uit “zwart werk” te vergoeden

Bij de behandeling van letselschadedossiers namens slachtoffers van verkeers- en/of bedrijfsongevallen hebben wij regelmatig te maken met A.s.r. Verzekeringen aan de overkant van de spreekwoordelijke onderhandelingstafel. Sinds enkele maanden lijkt deze verzekeraar echter de strijd te zijn aangegaan met claims bestaande uit gemiste inkomsten uit “zwart werk”. Zo heeft zij in een notitie, die kennelijk standaard aan belangenbehartigers wordt gestuurd, kenbaar gemaakt dat met de tegenwoordig geldende normen en waarden het niet langer passend is om gemiste inkomsten uit “zwart werk” te vergoeden.

Waarom vindt A.s.r. dat gemiste inkomsten uit “zwart werk” niet vergoed mag worden?

A.s.r. meent dat in de huidige maatschappij “zwart werken” niet langer verdedigbaar is. De rechtvaardiging hiervoor vindt zij in het feit dat er een forse gevangenisstraf staat op “zwart werken.” Het is dan ook om die reden dat A.s.r. niet langer zal bevoorschotten op deze schadepost, waarbij zij hogere eisen zal stellen aan de bewijslast van deze schadepost. Ook maakt zij bekend dat zij hoe dan ook uiterst terughoudend zal zijn waar het het toekennen van een eventuele vergoeding betreft in afwachting van de uitkomst van de discussie die A.s.r. over dit onderwerp zal aangaan, onder meer in rechte.

A.s.r. zal in het kader van het vorenstaande zwaardere eisen stellen aan de bewijslevering, zowel waar het betreft het aantonen van zwart werk als de omvang daarvan.

Zo zullen anonieme verklaringen niet langer toereikend worden geacht en kunnen deze niet bijdragen aan het door de benadeelde te leveren bewijs. Ook zal A.s.r. in dossiers waarin een vergoeding voor zwart werk wordt gevorderd, steeds willen zien of kan worden aangenomen dat de benadeelde dat zwart werk óók zou hebben verricht indien hij er “wit” in plaats van “zwart” voor zou zijn betaald.

Wat vinden wij als Arslan & Ersoy Advocaten van dit standpunt?

Wij voorzien dat dit ongenuanceerde standpunt van A.s.r. in de letselschadepraktijk tot meer discussies en procedures gaat leiden. Redengevend hiervoor is vooral de zinsnede dat A.s.r. hoe dan ook uiterst terughoudend zal zijn waar het toekennen van een vergoeding betreft in afwachting van de uitkomst van de discussie die A.s.r. over dit onderwerp zal aangaan, onder meer in rechte.

“Zwart werken” is als zodanig al lastig te bewijzen, nu niet alleen de arbeid zelf maar ook de beloning buiten de officiële boekhouding om gebeurt. Er is veelal geen registratie of documentatie voorhanden waarmee dit bewezen kan worden. Vaak helpt het wel als er een schriftelijke verklaring beschikbaar is van een werkgever of opdrachtgever. In de praktijk is deze echter niet altijd gemakkelijk te verkrijgen. Werkgevers die hun personeel zwart laten werken zijn uiteraard huiverig dat deze schriftelijke verklaring in verkeerde handen (lees: de belastingdienst) terechtkomt.

Hoe problematisch deze schadepost bewijstechnisch gezien ook is en of je de praktijk “zwart werken” als verzekeraar moreel onverantwoord vindt of niet, de wet en jurisprudentie op dit vlak is duidelijk. Als je als benadeelde kunt bewijzen dat je inkomsten uit “zwart werk” genereerde en deze inkomstenbron komt als gevolg van het ongeval te vervallen, dan komt deze schadepost voor vergoeding in aanmerking.

Wel merkt A.s.r. terecht op dat anonieme schriftelijke verklaringen van werkgevers of opdrachtgevers niet te controleren zijn op echtheid en daarmee niet meer gebruikt kunnen worden als onderbouwing voor de schade. Daarom lijkt het ons wel fair dat A.s.r. anonieme verklaringen niet (meer) accepteert. Hier staat echter tegenover dat een schriftelijke verklaring die niet anoniem is, wel als bewijs gebruikt kan worden voor de onderbouwing van deze schadepost.

Resteert ten slotte het standpunt van A.s.r. dat het aan de benadeelde is om aannemelijk te maken dat hij, ook als hij “wit” zou zijn betaald, het werk zou hebben gedaan en ook zou zijn blijven doen. Dit standpunt wordt kennelijk gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de rechter die de omvang van de schade in dit soort gevallen begroot, aan de hand van beschikbare gegevens moet vaststellen en eventueel moet schatten welk netto inkomen de benadeelde zou hebben genoten indien de beloning voor deze werkzaamheden ‘wit’ zou zijn.

In dit arrest heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over welk beoordelingskader een rechter moet hanteren bij het begroten van de omvang van de schade bij zwart werk. De visie van A.s.r. dat deze overweging van de Hoge Raad óók gebruikt moet worden bij de beantwoording van de vraag óf de benadeelde überhaupt aanspraak heeft op een vergoeding voor gemist zwart werk, gaat wat ons betreft te ver.

A.s.r. geeft een betekenis aan deze overweging van de Hoge Raad, die er simpelweg niet is. Nergens in dit arrest laat de Hoge Raad zich expliciet uit over de vraag of dit beoordelingskader ook gebruikt moet worden bij de beantwoording van de vraag óf de benadeelde aanspraak kan maken op een vergoeding voor gemiste inkomsten uit “zwart werk.”

Dat volgens A.s.r. een benadeelde die een vergoeding voor gemiste inkomsten uit “zwart werk” claimt, moet bewijzen dat hij hetzelfde werk óók zou hebben gedaan als hij “wit” in plaats van “zwart” ervoor zou worden betaald, is een vereiste dat A.s.r. in onze optiek ten onrechte stelt, alvorens zij deze schadepost erkent en vergoedt.

Wij zijn dan ook van mening dat A.s.r. dit arrest van de Hoge Raad onjuist interpreteert en ten onrechte uit zijn context haalt met het uitsluitende doel om haar standpunten over claims voortvloeiende uit gemiste inkomsten uit “zwart werken” (die vooral moreel en niet juridisch ingegeven zijn), van een juridische onderbouwing te voorzien. Dat vinden wij zeer jammer, vooral nu deze discussie meer dan voorheen voor de rechter uitgevochten moet worden.

28 april 2020|

Werkgever aansprakelijk voor letselschade van werknemer als gevolg van diens val van een ladder tijdens werk

De kantonrechter van de Rechtbank Den Haag oordeelde in haar uitspraak van 25 maart 2020 dat de werkgever van onze cliënt aansprakelijk is voor alle schade die hij heeft geleden als gevolg van een ongeval tijdens het werk. In deze bijdrage zullen de casusfeiten de revue passeren en gaan wij in op de juridische beoordeling die de kantonrechter heeft gemaakt.

Onze cliënt werkte sinds jaar en dag als installateur voor een bedrijf dat elektronische beveiligingssystemen aanlegt. Op 24 juli 2017 was hij in opdracht van zijn werknemer aan het werk in een bedrijfspand van een autodealer. Voor het aanleggen van de alarminstallatie moest cliënt op enkele meters hoogte werken. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden in het pand stond hij op een ladder en is hij daarbij ten val gekomen. Onze cliënt heeft als gevolg hiervan letsel aan zijn linker elleboog opgelopen, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt.

De arbeidsinspectie heeft onderzoek verricht naar het ongeval, waarna deze een boeterapport heeft opgesteld. Naar aanleiding van dit rapport is de werkgever ook bestuursrechtelijk beboet wegens overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Reden hiervoor was dat volgens de Arbeidsinspectie de ladder niet zodanig werd gebruikt door onze cliënt dat deze bij zijn werkzaamheden op de ladder steeds een veilige steun en houvast had. De werkgever heeft er aldus onvoldoende op toegezien dat de werkzaamheden op hoogte op een veilige wijze konden worden uitgevoerd, zonder dat er gevaar was voor onze cliënt.

In de tussentijd wendde onze cliënt zich tot ons met het verzoek om zijn letselschade te verhalen op zijn werkgever. Hierop hebben wij de werkgever aansprakelijk gesteld. De werkgever betwistte echter iedere aansprakelijkheid, omdat zij vond dat zij aan haar zorgplicht als werkgever had voldaan en dat onze cliënt zelf onvoorzichtig heeft gehandeld, terwijl hij zelf de desbetreffende ladder heeft meegenomen zonder overleg te plegen met de werkgever.

Als gevolg hiervan waren wij genoodzaakt de werkgever te dagvaarden, waardoor het geschil ter beslechting is voorgelegd aan de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Op grond van artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is de werkgever aansprakelijk jegens de werknemer voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat (1) zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, (2) de schade niet het gevolg is van het tekortschieten in haar zorgplicht en ook zou zijn ontstaan als de zorgplicht wel zou zijn nagekomen, of (3) de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf.

De kantonrechter overweegt daarbij dat tussen partijen niet in geschil is dat de werknemer op de bewuste dag schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Om die reden is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor deze schade, tenzij de werkgever rechtsgeldig een beroep kan doen op een van de bovengenoemde drie uitzonderingen. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat het op de weg van de werkgever ligt om aan te tonen dat zij wel aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Onder verwijzing naar de geldende wetgeving en jurisprudentie overweegt de kantonrechter dat er een ruime zorgplicht rust op de werkgever, waardoor niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever aan haar zorplicht heeft voldaan in een situatie als deze. Uit het boeterapport van de Arbeidsinspectie blijkt dat de door onze cliënt gebruikte ladder niet geschikt was voor de werkzaamheden die hij moest uitvoeren. De trap was volgens de arbeidsinspecteur te kort en had bovendien geen beugel.

Volgens de kantonrechter staat het dan ook vast dat de werkgever aan onze cliënt geen veilige ladder ter beschikking heeft gesteld voor de uit te voeren werkzaamheden. De werkgever heeft op dit punt niet voldaan aan haar zorgplicht. Ook speelt een rol dat niet is komen vast te staan dat onze cliënt specifieke instructies heeft gekregen voor het uitvoeren van de werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld welke ladder hij voor deze werkzaamheden zou moeten gebruiken.

De conclusie is dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die onze cliënt ten gevolge van het bedrijfsongeval heeft geleden en nog zal lijden.

Voor de volledige uitspraak van de kantonrechter, verwijzen wij u naar bijgevoegd document.

Bent u ook slachtoffer geworden van een ongeval tijdens uw werk en heeft u als gevolg hiervan letsel opgelopen? Indien uw werkgever of opdrachtgever zich niet heeft gehouden aan zijn zorgplicht, dan komt u in aanmerking voor een schadevergoeding voor de letselschade die u heeft geleden. Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met een van onze advocaten of letselschadespecialisten. Dat kan per e-mail via letsel@arslanersoy.nl of telefonisch via 070 – 711 33 30.

17 april 2020|

Woningcorporatie is schadeplichtig jegens huurder wegens onrechtmatig ontruimen van huurwoning

Stichting Havensteder is bij arrest van 1 augustus 2017 door het Gerechtshof te Den Haag veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de heer S. van ‘t H. (hierna te noemen: “cliënt”) voor het onrechtmatig ontruimen van diens huurwoning en het zonder zijn toestemming verwijderen en vernietigen van zijn persoonlijke goederen uit zijn huurwoning. In eerste aanleg had de Rechtbank te Rotterdam nog geoordeeld dat onvoldoende was komen vast te staan dat Stichting Havensteder opdracht had gegeven tot de litigieuze ontruiming. In hoger beroep heeft mr. Ümit Arslan van ons kantoor ten overstaan van het Gerechtshof te Den Haag met succes bepleit dat Stichting Havensteder alsnog verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de onrechtmatige ontruiming.

Na een lange afwezigheid wenste cliënt terug te keren naar zijn eigen huurwoning. Eenmaal daar aangekomen kwam hij tot de schokkende ontdekking dat zijn sleutel de voordeur van zijn woning niet meer opende. Vervolgens herkende hij een deel van zijn persoonlijke goederen in een afvalcontainer voor zijn woning. Van zijn overige persoonlijke goederen ontbrak echter ieder spoor. Navraag leverde op dat de woningcorporatie zonder hiervoor een ontruimingsvonnis te hebben, tot het ontruimen van de woning en het vernietigen van zijn persoonlijke goederen was overgegaan. De schade van cliënt liep hierdoor in de duizenden euro’s. Wat hem echter vooral dwars zat, was het feit dat hij van het kastje naar de muur werd gestuurd om te ontdekken waarom de woningcorporatie tot deze actie was overgegaan. Uiteindelijk heeft hij een advocaat in de arm moeten nemen om zijn recht te halen. Na in eerste aanleg in het ongelijk gesteld te zijn door de Rechtbank te Rotterdam, geeft het Gerechtshof te Den Haag hem in hoger beroep wel gelijk.

Volgens het Gerechtshof staat vast dat de woning is ontruimd zonder dat hieraan een ontruimingsvonnis ten grondslag lag. Tussen partijen was namelijk niet in geschil dat daarmee sprake was van een ontruiming zonder titel en dat de ontruiming derhalve onrechtmatig was. Het was weliswaar aan onze cliënt, gelet op de betwisting van Havensteder dat de opdracht tot ontruiming en vernietiging van de inde woning aanwezige goederen door haar is gegeven, om te stellen en te bewijzen dat Havensteder dat wel heeft gedaan. Naar het oordeel van het Gerechtshof heeft cliënt echter afdoende onderbouwd dat Havensteder de opdracht tot ontruiming en vernietiging heeft gegeven.

Havensteder heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat nergens uit zou blijken dat de spullen van cliënt vernietigd zijn en dat de goederen zelfs mogelijk zouden zijn opgeslagen. Het Gerechtshof verwerpt echter dit verweer. Het Gerechtshof volgt de lezing van cliënt en overweegt dat vaststaat dat de goederen uit de woning zijn gehaald. Nu op geen enkele wijze is gebleken dat de goederen naar de opslag zijn gebracht, ligt het voor de hand dat er goederen van cliënt zijn vernietigd en dat onze cliënt daarmee schade heeft geleden.

De conclusie van het Gerechtshof is derhalve dat Havensteder onrechtmatig heeft gehandeld jegens onze cliënt en dat zij uit dien hoofde gehouden is de door onze cliënt geleden en te lijden schade aan hem te vergoeden.

Met dit arrest van het Gerechtshof is een jarenlange juridische strijd tussen onze cliënt en Havensteder tot een eind gekomen. Wij bedanken onze cliënt voor het door hem in Arslan & Ersoy gestelde vertrouwen en wij zijn verheugd dat het recht, ook al was hiervoor een hoger beroep nodig, uiteindelijk heeft gezegevierd. Indien u te maken heeft met een soortgelijk geschil met uw verhuurder, dan kunt u te allen tijde telefonisch dan wel per e-mail contact opnemen met een van onze kantoren voor een vrijblijvend intakegesprek met een van onze deskundige advocaten.

 

 

 

27 augustus 2017|